Opinie – Vrouwen onderweg naar de top: u bent gewaarschuwd

Het klopt dat men vrouwen nog altijd scherper afrekent dan mannen.

Vorig weekend titelde Bart Eeckhout provocerend dat het voor een jonge, progressieve vrouw veiliger aan de haard is (DM 10/11). Ik dacht dat het een opinie was over de omstreden conservatieve Duitse maatregel die vrouwen een maandelijkse ‘thuiszitpremie’ toekent, maar nee hoor, het ging zowaar ook over mij.

Ik moest me dus aangesproken te voelen. En ik stelde me inderdaad de vraag. Was ik maar beter thuis gebleven? Jonge, progressieve vrouwen zijn vandaag nog altijd een uitzondering aan de top van de Vlaamse politiek. En als je jong, conservatief en vrouw bent dan mag je het al helemaal vergeten. Bij conservatieve partijen blijft de top veilig gebarricadeerd door mannelijke collega’s, macho’s niet uitgesloten. Dit heeft te maken met het waardenkader waarop partijen zich beroepen.

Links-progressieven hangen eerder wat Berkeley-professor George Lakoff ‘het zorgende oudermodel’ noemt aan. Daarin staan dialoog, empathie en samenwerking op voet van gelijkheid centraal. Dialoog tussen ouders en kinderen, duiding bij wat wel en niet kan, goede afspraken tussen partners en gedeelde verantwoordelijkheid zowel op het werk als thuis. Dit zogenaamd genderneutrale ideaaltype geldt voor progressieven binnen het gezin, maar wordt ook geprojecteerd op andere organisatievormen zoals een politieke partij en de hele gemeenschap. Althans in theorie.

Rechts-conservatieven beroepen zich veeleer op het ‘mannelijke’ strenge vadermodel. Dit is een stereotype aan het andere eind van het continuüm. Waarden als strengheid en respect voor wat altijd al was, vormen de basis voor morele autoriteit. Dat vertaalt zich in een hang naar traditie, uniformiteit en strikte straffen voor wie zijn verantwoordelijkheid niet neemt. In die traditie zijn mannen en vrouwen niet gelijk. Ze zijn elk geboren met genderspecifieke kenmerken waaraan ze zich best hun hele leven houden. Dit model zie je vandaag duidelijk in vele niet-westerse gemeenschappen waar de socio-economische positie van de vrouw zwak is. Maar ook bij ons en al zeker bij de vorige generaties is die rolverdeling nog stevig verankerd.

Theoretisch is er dus goed nieuws voor progressieve vrouwen. Als ze willen en met dezelfde capaciteiten kunnen ze doorstoten naar de absolute maatschappelijke, politieke en economische top. Hun conservatieve collega’s hoeven dat soort ambities niet eens te koesteren, wegens niet aangepast aan hun waardenkader. Maar de hamvraag is: krijgen die vrouwen aan de top echt en eerlijk een gelijke kans om zich te bewijzen? En worden ze met dezelfde mild- of strengheid beoordeeld?

Maar de hamvraag is: krijgen die vrouwen aan de top echt en eerlijk een gelijke kans om zich te bewijzen?

De jongste jaren is het politieke debat ongelooflijk verruwd. De kunst van het mooie argument en het eerlijke en georganiseerde meningsverschil is verwaterd. Uit de Angelsaksische wereld komt het fenomeen van ‘negative campaigning’ overwaaien. Obama en Romney en hun verwante super-PAC’s spendeerden miljoenen dollars om de reputatie van de andere kandidaat te kelderen. Bij ons beperkt ‘negative campaigning’ zich vooralsnog tot het voor journalisten bekende fenomeen van ‘politiek gespin’. Dat kost minder maar is voor het ‘slachtoffer’ moeilijker te bekampen. Politieke gespin is anonieme, achter-de-schermencommentaar van politieke tegenstrevers. Het enige doel is de geloofwaardigheid van de ander onderuit te halen. Het gaat niet over het legitiem en soms ‘off the record’ duiden van de eigen inhoudelijke visie op een dossier, maar het gaat wel over ‘framen’ van het karakter, het uiterlijk, de zogenaamde competenties van de politicus in kwestie. Politici en hun woordvoerders doen dit zelf, op sociale netwerksites en publieke fora vaak bijgetreden door al dan niet anonieme burgers. Zo werd ik in een eerste fase van mijn sp.a-voorzitterschap steevast afgeschilderd als de handpop van mijn voorganger, nadien als een bitch en uiteindelijk als een emotante. Voor elk wat wils dus, en ook tegenstrijdig, maar zeker niet met de bedoeling om een waarheidsgetrouw en eerlijk beeld van een politica te schetsen.

Ik geef twee voorbeelden die me zelf pas veel later ter ore kwamen. In een belangrijk Antwerps dossier stonden mijn partij en een andere lijnrecht tegenover elkaar. Omdat we een andere visie op de stad hebben. Goed zo dus. In een democratie probeer je dan een compromis te sluiten op basis van goede argumenten en wederzijdse toegevingen. Zo onderhandelde ik als voorzitter. Groot was dan ook mijn ingehouden woede toen een journalist me vertelde dat ik klaarblijkelijk namens sp.a weinig steekhoudende posities innam omdat ik in een relatiebreuk zou zitten. Dat was info van een politieke collega. Onzinnig, onjuist en een flagrante inbreuk op mijn privacy. Maar vooral een doelbewuste poging om een vrouwelijke voorzitter als emotioneel, zwak, labiel en daardoor onbetrouwbaar neer te zetten. Een schande, vond ik dat. Maar ik hield wijselijk de lippen stijf op elkaar en beperkte me tot inhoudelijke duiding bij de positie van mijn partij.

Een andere keer zei een journalist me dat de perceptie van de politica Gennez bij het grote publiek helemaal anders was dan de manier waarop hij mij kende. Hoewel hij het niet altijd eens was met mijn strategische keuzes vond hij me een bekwame en moedige politica. Toen ik vroeg waarom hij dat niet schreef, maar eerder meeheulde met de negatieve wolven in het bos, antwoordde hij dat die perceptie door anderen was gemaakt en dat hij geen propagandist van deze of gene politicus was. Tja, daar sta je dan.

Vrouwen kunnen zich maar beter wapenen tegen negatieve perceptie. Vele mannen worden liever al roepend tegengesproken door een andere man, dan op normale toonhoogte door een jongere vrouw. En al helemaal als die vrouw niet aan bepaalde archetypen beantwoordt. Een politica in jeansbroek, heeft die wel voldoende sérieux? Als ik het aan het begin van mijn voorzitterschap oneens was met bepaalde mannen in mijn partij deed men alsof men dat niet snapte en gaf men nogmaals dezelfde uitleg. Zo dacht men dat ik wel zou volgen, terwijl ik gewoon een andere mening had.

De meeste vrouwelijke collega’s zijn gewoon eerlijker tegen elkaar. Ik ken weinig vrouwen die de keuze voor een rechtse coalitie in de stad in de schoenen van een politieke tegenstrever zouden proberen te schuiven. De meeste vrouwen nemen gewoon directer hun verantwoordelijkheid, ook met risico voor eigen carrièrelijf en leden. En dat vind ik een goede zaak.

Het klopt dus dat men vrouwen nog altijd scherper afrekent dan mannen. In de politiek nog meer dan elders. Het is namelijk een erg concurrentiële omgeving en de wetten van de macht zijn vaak machiavellistisch. Daarom kan je maar beter voorbereid zijn. Als dat niet zo is, leer je het the hard way. En kan je het nadien zelf proberen te keren. In je verdere carrière of als rolmodel voor een volgende generatie.

Om het met Simone de Beauvoir te zeggen: “(Dans la politique) on ne nait pas femme, on le devient.” En dat is ook mijn ervaring

Caroline Gennez, kamerlid sp.a en voormalig partijvoorzitter in een opiniestuk in De Morgen (13/11/2012)

Geplaatst in Nieuws en getagd met , .

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.